• Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
www.eenblogjeom.nl
Feedback en feedforward volgens Peter Robertson
Gepubliceerd in Bluff Your Way Into
E-mail Afdrukken

feedback feedforward.jpg

Volgens Peter Robertson zijn de - uit de systeemtheorie afkomstige - begrippen feedback en feedforward belangrijke begrippen bij het doorgronden van de manier waarop mensen omgaan met verandering en angst voor het onbekende.

Bij feedbacksystemen gaat het in essentie omdat de acties gericht zijn op het (opnieuw) bereiken van een toestand uit het verleden of een in het verleden gestelde norm. "Het gaat bij feedback-sturing dus om sturing op grond van informatie uit het verleden - het is letterlijk 'terugkoppeling'. We kennen twee vormen van feedback: 'reinforcing feedback' en 'balancing feedback'. Reinforcing feedback is feedback die zichzelf versterkt. Een product blijkt aan te slaan, mensen gaan er met elkaar over praten, meer mensen gaan het kopen, enzovoort ... Balancing feedback is feedback die zorgt voor stabiliteit: de temperatuur in een ruimte die constant gehouden wordt, ervoor zorgen dat een auto binnen de strepen van het wegdek blijft, managen dat een project binnen een vastgesteld budget blijft."

"Feedforward is een andere vorm van sturing die voortkomt uit ons vermogen om te anticiperen op de toekomst. De toekomst wordt als het ware 'teruggehaald' om het heden mee te sturen. Gaat het bij feedback-sturing om sturing op grond van informatie uit het verleden, bij feedforward-sturing gaat het om sturing op grond van verwachtingen, hoop, dromen en wensen die men wil realiseren in de toekomst. (...) Bij feedforward wordt de sturing bepaald door een in de toekomst gelegen doel. Waar de acties in een feedback-systeem zijn gericht op het herstellen van een toestand uit het verleden, zijn de acties in een feedforward-systeem gericht op het bereiken van een doel dat nog niet bestaat, een visie van de toekomst. Echter: niet elk in de toekomst gelegen doel is feedforward-'gedreven'."

Robertson stelt dat wanneer managers een budget controleren, ze slechts een norm controleren. Bij feedback controleer je alleen maar een norm. Het wezenlijke verschil met feedforward-sturing is dat feedback zich alleen richt op een signaal (afwijking van een norm), maar dat feedforward-georiënteerd sturen ook gericht is op de inhoud  op het waarom, en op de bredere context waarin dat budget een rol speelt. Feedforward is gebaseerd op ons vermogen ons de toekomst voor te stellen en hierop te anticiperen: een droom of een idee over de toekomst kan ons vooruit sturen, op een weg om deze droom te verwezenlijken.

Feedforward-sturing Feedback-sturing
Sturing op basis van de toekomst op iets dat er nog niet is Sturing van het verleden, via terugkoppeling op iets dat al geweest is
Kent geen tot nauwelijks vertraging in tijd en ruimte Werkt vertragend doordat terugkoppeling altijd tijd kost
Gaat over iets dat nog komen moet maar niet bestaat Gaat over controle en tastbare zaken
Het begint en eindigt Kan eindeloos doorgaan
Er verandert een toestand Handhaaft een bestaande toestand
Het is afhankelijk van informatie die 'richting' of 'doel' aangeeft; zonder specifiek inhoudelijke informatie over de richting is er geen feedforward meer Is afhankelijk van een signaal dat een 'verschil' of 'afwijking' aangeeft, en zolang dat maar gebeurt is het verdere type of aard van de informatie niet essentieel

Bron: Ontsnappen uit S-catraz - Always Change A Winning Team, Peter Robertson

Laatst aangepast op vrijdag, 08 juni 2018 14:03  
LSS: Poka Yoke
Gepubliceerd in Bluff Your Way Into
E-mail Afdrukken

poka yoke mistake proofing

Poka Yoka (poh-kah yoh-keh) betekent letterlijk 'het voorkomen van fouten'. Het is een samenvoeging van de twee Japanse woorden: 'yokeru' (vermijden) en 'poka' (onbedoelde fout). Het Poka Yoke-concept is bedacht door Shigeo Shingo als onderdeel van het Toyota Production System (TPS). Shingo sprak oorspronkelijk over Baka-Yoke wat 'foolproofing' betekent, maar paste in later de term aan.

Het doel van Poka Yoke is om het proces zodanig te ontwerpen dat fouten direct ontdekt en gecorrigeerd kunnen worden, waarbij defects dus bij de bron worden aangepakt. In het ideale geval zorgt Poka Yoka voor omstandigheden waarbij het niet mogelijk is om een fout te maken (preventie). Als dit niet helemaal voorkomen kan worden, is Poka Yoke gericht op het zo snel mogelijk ontdekken van fouten.

Poka Yoka is vooral een filosofie dat het goed is om iets direct goed te doen, maar dat het nog beter is om ervoor te zorgen dat je het niet verkeerd kan doen. Binnen het voortbrengingsproces zijn er vier momenten waarop je een fout kunt signaleren:

  1. Preventie: voordat een defect het proces in gaat.

  2. Defect valt op in het proces: vóór het voltooien van de processtap.

  3. Defect valt op bij eindcontrole: voordat de klant het defect heeft waargenomen.

  4. Klant signaleert het defect.

Des te eerder je een defect ontdekt in het proces hoe lager de kosten zullen zijn om het defect te elimineren. Dit principe staat ook wel bekend als de 1-10-100 regel die luidt dat als een product of dienst met een fout wordt doorgegeven aan de volgende schakel in het voortbrengingsproces, de kosten om deze fout te corrigeren stijgen met een factor 10.

Poka Yoke wordt gebruikt om fouten/defecten tijdens het voortbrengingsproces te voorkomen, zodat een product defectvrij geleverd kan worden. Binnen Poka Yoke zijn er twee methoden om fouten te voorkomen:

  1. Foutpreventie: Voorkomen van fouten (mistake prevention): nadruk ligt op preventie, het voorkomen fouten door het proces minder complex te maken of door controles in te bouwen in het proces (controlerende Poka Yoke) en het zo onmogelijk te maken om een fout te maken (incl. het gebruik maken van checklist als onderdeel van het proces).

  2. Foutdetectie: reactieve benadering door controle/waarschuwing (signalerende Poka Yoke). Het zo snel mogelijk signaleren van fouten, zodat je kunt voorkomen dat de fout wordt doorgegeven (mistake proofing). Zodra de fout is gedetecteerd, zijn er twee mogelijkheden: (a) het proces stoppen zodat het onmogelijk is om verder te gaan, óf (b) - als dit niet kan - een waarschuwingssignaal (alarm, visuele feedback) geven, zodat medewerkers de fout kunnen herstellen. Het detecteren van een fout, veronderstelt een of andere automatische of handmatige vorm van controle, bijvoorbeeld door te meten/wegen, of gebruik te maken van een checklist.

 

poka yoke

Voorbeelden van Poka Yokes zijn de simkaart in een mobiele telefoon of een lijnstop. Een lijnstop is een goed voorbeeld van een controlerende Poka Yoke (foutpreventie). Een Andon die gaat branden bij een abnormaliteit is een voorbeeld van een waarschuwende Pokayoke (foutdetectie).

Laatst aangepast op maandag, 24 mei 2021 08:40  
Presenteren volgens Seth Godin
Gepubliceerd in Bluff Your Way Into
E-mail Afdrukken

powerpoint presentation seth godin

Op Seth Godin's blog, kwam ik de blogpost Really Bad Powerpoint tegen. Het is alweer een oudje, maar de boodschap van Seth Godin over wat er nodig is voor een goede presentatie blijft tijdloos.

Powerpoint could be the most powerful tool on your computer. But it’s not. Countless innovations fail because their champions use PowerPoint the way Microsoft wants them to, instead of the right way. Communication is the transfer of emotion. Communication is about getting others to adopt your point of view, to help them understand why you’re excited (or sad, or optimistic or whatever else you are.) If all you want to do is create a file of facts and figures, then cancel the meeting and send in a report.

Volgens Seth Godin zijn er vijf regels voor een succesvolle powerpoint-presentatie:

  1. Niet meer dan zes woorden op een slide. NOOIT. Géén presentatie is zo ingewikkeld dat deze regel overtreden kan worden.

  2. Géén zoetsappige afbeeldingen. Gebruik professionele (stock) foto's.

  3. Géén verdwijneffecten, draaiingen of andere overgangen.

  4. Beperk het aantal geluidseffecten van je presentatie. Wanneer je geluid gebruikt, doe dit dan niet met ingebouwde geluidseffecten, maar échte muziek.

  5. Deel nooit hand-outs uit van je presentatie. Ze werken niet als jij er niet bij bent.

Volgens Seth Godin is het zaak bij je presentatie zowel de rechterkant (emoties) als de linkerkant (feiten, hare data) van het brein van je publiek aan te spreken. Godin stelt dat mensen al een conclusie hebben getrokken over je presentatie zodra je bij de tweede sheet bent: 'After that, it’s often too late for your bullet points to do you much good'.

The home run is easy to describe: You put up a slide. It triggers an emotional reaction in the audience. They sit up and want to know what you’re going to say that fits in with that image. Then, if you do it right, every time they think of what you said, they’ll see the image (and vice versa).

Godin stelt dat een presentatie overbodig is als iedereen het eens zou zijn; de reden van een presentatie is juist dat je een punt wilt maken of ideëen wilt verkopen.

Volgens Godin zijn er vier dingen belangrijk voor een grootste presentatie:

  1. Maak kaartjes als geheugensteuntje (cue cards).

  2. Laat de sheets - met emotioneel bewijs - je woorden versterken, niet herhalen.

  3. Maak een document dat je kunt achterlaten, waarin je zoveel details en voetnoten kunt opnemen als je wilt. Informeer je publiek hierover zodat ze niet alles wat je zegt hoeven op te schrijven. De presentatie is de 'emotionele verkoop'; het document is het bewijs dat het intellectuele deel van je publiek helpt de ideëen te accepteren die je ze emotioneel)hebt verkocht.

  4. Creëer een feedback loop om de beoogde verkoop ook te kunnen maken: The reason you give a presentation is to make a sale. So make it. Don’t leave without a “yes,” or at the very least, a commitment to a date or to future deliverables.

Bron: Really Bad Powerpoint, Seth Godin (29/1/2007)

 





Laatst aangepast op vrijdag, 16 juli 2021 09:26  
Rationele effectiviteits Training (RET)
Gepubliceerd in Bluff Your Way Into
E-mail Afdrukken

Rationele effectiviteits Training RET ABC

Theo IJzermans en Coen Dirkx gaan in het boek Beren op de weg, spinsels in je hoofd in op de theorie en toepassing van de Rationele Effectiviteits Training (RET). RET is een methode gebaseerd op het werk van de psycholoog Albert Ellis. Hét uitgangspunt van RET is dat spanning en stress maar voor een deel te maken hebben met invloeden van buitenaf. Mensen maken voor een groot deel hun eigen stress. De manier van denken en fantaseren bepaalt uiteindelijk hoe je je voelt en ook hoe je je opstelt en gedraagt.

RET gaat er vanuit dat je manier van denken en fantaseren bepaalt hoe je je voelt en gedraagt. Voor een goed begrip van RET is het belangrijk verschil te maken tussen waarneming, interpretatie en evaluatie:

  1. Waarneming: feitelijke beschrijving van de observaties die je doet.

  2. Interpretatie: betekenis - juist of onjuist - geven aan je waarneming ('veel misverstanden ontstaan doordat mensen verschillende interpretaties geven aan dezelfde feiten, vaak zonder dat ze dit beseffen')

  3. Evaluatie: waardering of evaluatie (bijv. in termen van 'goed', 'gevaarlijk' of 'slecht') toekennen aan de interpretaties van dingen die je meemaakt; deze gedachten over gebeurtenissen geven een emotionele lading aan de dingen die je meemaakt.

Ons denken heeft een grote invloed op ons gevoel. Met name de evaluaties spelen een centrale rol bij het ontstaan van gevoel. Door de wijze waarop wij evalueren geven we emotionele ladingen aan gebeurtenissen, die ervoor kunnen zorgen dat we ons bijvoorbeeld gespannen, angstig, gestresst of boos voelen.

Binnen RET hangt de (ir)rationaliteit van een gedachtegang af van twee criteria:

  1. Kan de gedachtegang voldoende worden onderbouw met feitelijke gegevens?

  2. Is de gedachtegang logisch consistent?

Rationele effectiviteits Training RET IJzermands en Dirkx

De irrationele ideëen waarmee mensen zichzelf in de problemen kunnen brengen, hebben meestal een absoluut, overdreven en daardoor onwerkelijk karakter. Door de sterke evaluaties die deze ideeën met zich mee brengen kunnen ze de emoties onnodig opstuwen. Daarnaast is kenmerkend voor een irrationele gedachtegang dat hij de persoon niet helpt om zijn doel te bereiken; de gedachte is niet-productief. De man die eist dat hij geen fouten maakt, omdat hij anders een mislukkeling is, gaat daardoor niet beter functioneren. Integendeel, het leidt er vaak juist toe dat het slechter gaat omdat hij zichzelf blokkeert.

Het herkennen van irrationele gedachten bij jezelf is vaak moeilijk omdat ze zo vergroeid kunnen zijn met onze manier van denken dat je ze zelf niet meer herkent. Je kijkt door een gekleurde bril, zonder dat je je beseft dat je deze op hebt. Volgens IJzermans en Dirkx zijn er vijf veel voorkomende irrationele gedachten:

  1. Fanatiek perfectionisme: eisen van absolute onfeilbaarheid koppelen aan zelfbeoordeling: een fout is een teken van zwakte; perfectionisten creëren hun eigen 'zwaard van Damocles', dat voortdurend boven hun hoofd hangt ('Ik mag geen fouten maken, want dan ben ik een waardeloos persoon').

  2. Het Ramp-denken: onheilsfantasten zien altijd weer verschrikkelijke zelfbedachte gevaren op zich afkomen ('Als dit gebeurt, is dat een absolute ramp').

  3. Lage frustratie-tolerantie: opzien tegen dingen en denken dat ze te moeilijk en te zwaar zijn ('Dat lukt mij nooit, dat is veel te moeilijk, dat is onverdraaglijk').

  4. De liefdesjunk/verslaving aan respect en liefde: idee hebben dat het noodzakelijk is dat mensen van je houden en je respecteren ('Iedereen moet mij altijd mogen').

  5. Eisen aan anderen en de wereld: eis dat andere mensen zich anders moeten gedragen en dat de wereld anders in elkaar zou moeten zitten ('Mensen moeten zich altijd aan de regels houden, de wereld moet rechtvaardig in elkaar zitten').

De taal vormt een weerslag van de belevingswereld van mensen. RET is sterk beïnvloed door de theorie van de Poolse wiskundige en taalkundige Alfred Korzybsky die stelt dat door taal mensen in hun gedachten een beeld creëren van de werkelijkheid en dat de eigen gedachte en de taalconstructie gelijkt worden gesteld met de werkelijkheid ('Het is gewoon zo!'). Volgens Korzybsky leiden verschillende abstractieniveaus bij het taalgebruik tot veel verwarring. Wanneer uitspraken steeds verder verwijderd raken van de feiten waarover je beschikt, wordt de taal steeds abstracter. Het verwarren van verschillende taalniveaus en daarmee ook in het denken, leidt - aldus Korzbysky - tot emotionele stoornissen.

Een goed hulpmiddel om RET te begrijpen en toe te passen is het zgn. ABC-schema.

  1. A (Activating event): gebeurtenis (echte of bedachte gebeurtenis)

  2. B (Belief): ideeën en gedachten (wat zeggen we tegen onszelf)

  3. C (Consequence): gevoelens en gedrag.

Vaak hebben we de neiging om te zeggen dat A rechtstreeks C veroorzaakt; oftewel, we zoeken de oorzaak vaak buiten onszelf. "Volgens de RET-theorie zijn het niet de gebeurtenissen zelf die emoties veroorzaken, maar onze gedachten hierover. Niet A, maar B veroorzaakt C. Het zijn onze gedachten en vooral de evaluaties ... die het gevoel en het daarmee samenhangende gedrag veroorzaken. Natuurlijk geven gebeurtenissen wel aanleiding tot bepaalde gedachten, maar niet meer dan dat. Het aardige van deze theorie ... is dat we geen speelbal blijken te zijn van allerlei gebeurtenissen om ons heen. Onze ideeën en onze gedachten hebben wij zelf in de hand; wij kunnen ze veranderen als ze ons onnodig last bezorgen. Het enige nadeel is dat wij anderen minder de schuld kunnen geven. Wij worden zelf verantwoordelijk voor hoe wij ons voelen."

RET onderscheidt drie fasen om verandering aan te brengen in onze zelfondermijnende en destructieve manier van denken:

  1. Zelf-observatie: welke ideeën maken je overstuur (Wat zeg je tegen jezelf?, Wat voel je, als je dit denkt?).

  2. Veranderen van de gedachtegang: irrationele ideeën omzetten in rationele of constructieve ideeën die minder stress en blokkades veroorzaken (Hoe bruikbaar is deze gedachte?.

  3. Integreren van nieuwe gedachtegang in je eigen denken: het stabiliseren van de nieuwe gedachtegang in je manier van denken, zodat een nieuwe denkgewoonte en daarmee ook ander gedrag ontstaat.

Binnen RET gaat het dus vooral om het beter kijken en luisteren naar jezelf.

Rationele effectiviteits Training RET IJzermands en Dirkx

Het klinkt zo simpel. U denkt zus; de achterliggende ideeën zijn zo. Ze zijn irrationeel, dus die moet u veranderen. Maar gaat u eens na: het is vaak al moeilijk om te erkennen dat we denken, laat staan om erachter te komen wàt we denken. Denken is meestal een automatisch proces. De manier waarop we naar de wereld kijken is zo vanzelfsprekend dat we nauwelijks nog kunnen vaststellen dat er een denkproces plaatsvindt. (...) We moeten onze gedachten gaan reconstrueren, gaan observeren. Dit is al moeilijk. Het opsporen van de achterliggende ideeën, de we niet letterlijk tegen onszelf 'uitspreken', is nog een graad moeilijker.

De RET-strategie voor het veranderen van een manier van denken die je je in de loop van jaren hebt eigen gemaakt, houdt in dat je je eigen gedachtegangen systematisch onder de loep neemt aan de hand van vragen die je jezelf stelt. Deze zelf-ondervraging wordt ook wel het uitdagen van de eigen ideeën genoemd (disputing). Volgens IJzermans en Dirkx zijn er drie vragen die behulpzaam zijn bij deze uitdaging:

  1. Vragen naar de feiten: 'Klopt datgene wat ik denk met de feiten die mij bekend zijn?'

  2. Doelmatigheidsvragen: vragen naar de relatie tussen datgene wat je denkt en het doel dat je wilt bereiken ('Wat is mijn doel?'; 'Helpt deze gedachte mij om dit doel te bereiken?').

  3. Filosofische vragen: 'Wat betekent deze uitspraak nou precies?', 'Is het een logisch uitspraak?', 'Hoe verhoudt dit idee zich tot mijn andere opvattingen over het leven?'.

IJzermans en Dirkx vatten de werkwijze van RET samen in de volgende acht stappen:

  1. Beschrijf de A: Wat is de gebeurtenis of de situatie die het ongewenste gevoel en gedrag oproept?

  2. Beschrijf de C: Wat is het ongewenste niet-productieve gevoel en het daarmee samenhangende gedrag?

  3. Beschrijf de B: Wat zijn de gedachten waarmee je C veroorzaakt? Beschrijf de interpretaties, maar vooral ook de evaluaties.

  4. Formuleer de gewenste C: Hoe wil je je gaan voelen als dergelijke situaties zich voordoen? Hoe wil je je gaan gedragen?

  5. Daag de irrationele gedachten waarmee je het ongewenste gevoel en gedrag veroorzaakt uit en stel ze ter discussie.

  6. Vervang de irrationele gedachten (zie 3) door rationele gedachten. De antwoorden bij stap 5 leveren de bouwstenen aan voor het formuleren van meer rationele gedachten.

  7. Beproef het resultaat: test in fantasie of werkelijkheid uit of je door de nieuwe B's, de meer rationele gedachten, beter op de situatie kunt reageren. Hoe voelt het om er zo tegen aan te kijken?.

  8. Maak een oefenprogramma en voer het uit om de meer rationele en productieve denkwijze in je gedrag in te voeren.

Bij stap (4) stellen IJzermans en Dirkx dat je altijd een reële gewenste C moet kiezen; dus niet te positief. "Situaties kunnen werkelijk moeilijk zijn en spanning oproepen, andermans gedrag kan echt irritant zijn, enzovoort. Het gaat hier om een vermindering van de intensiteit van de emoties om onnodige stress en slecht functioneren te verminderen."

Zie ook:

Bron: Beren op de weg, spinsels in je hoofd, Theo IJzermans & Coen Dirkx

Laatst aangepast op zaterdag, 06 januari 2018 07:52  
Bluff Your Way Into GEMMA
Gepubliceerd in Bluff Your Way Into
E-mail Afdrukken

gemma archimate notering

De GEMeentelijke ModelArchitectuur (GEMMA) is de landelijke referentiearchitectuur voor het inrichten van zowel de bedrijfsvoering als de informatievoorziening van ruim 400 gemeenten in Nederland. GEMMA sluit aan op NORA.

De GEMMA informatiearchitectuur gaat over informatiefuncties, gegevens, applicaties en landelijke voorzieningen die een gemeente kan inzetten bij de dienstverlening aan klanten: burgers, bedrijven en instellingen. De GEMMA informatiearchitectuur beschrijft een kader voor een gemeentelijke informatievoorziening die de gemeentelijke dienstverleningsprocessen ondersteunt. Als landelijke referentie is de GEMMA informatiearchitectuur een generieke architectuur welke gemeenten moeten vertalen naar de eigen lokale situatie.

GEMMA bevat concepten en begrippen, architectuurprincipes, modellen, standaarden en handleidingen.

Belangrijke onderdelen van de GEMMA-portefeuille zijn:

  • een procesarchitectuur met onder andere standaard processen en een uitwerking van het thema zaakgericht werken;
  • een informatiearchitectuur met generieke informatiefuncties voor midofficesystemen;
  • informatiemodellen voor basisgegevens (het RSGB) en zaakgericht werken (het RGBZ);
  • een standaard voor het uitwisselen van gegevens en koppelen van informatiesystemen (StUF);
  • gestandaardiseerde e-formulieren;
  • een Zaaktypencatalogus (ZTC) met gestandaardiseerde inrichtingsparameters voor zaakgericht werken.


In het bovenstaande schema is de GEMMA architectuur gemodelleerd in Archimate. ArchiMate onderscheidt, net als het NORA raamwerk, de volgende drie lagen:

  1. De Businesslaag (in NORA de bedrijfsarchitectuurlaag) biedt producten en services aan externe klanten. Deze services worden intern gerealiseerd door bedrijfsprocessen die uitgevoerd worden door business actoren.

  2. De Applicatielaag (in NORA de informatiearchitectuurlaag) ondersteunt de businesslaag met applicatieservices die worden gerealiseerd door (software) applicaties.

  3. De Technologielaag (in NORA de technische architectuurlaag) biedt infrastructurele services (b.v. processing, opslag en communicatie services) die nodig zijn om applicaties uit te voeren en worden gerealiseerd door computer- en communicatie-hardware en systeemsoftware.

Binnen de verschillende lagen van ArchiMate kunnen verschillende structurele architectuurconcepten worden gebruikt. Het belangrijkste structurele concept in de applicatielaag is de applicatiecomponent. Dit concept wordt gebruikt om elke structurele
„entiteit? in de applicatielaag te modelleren. Structurele entiteiten kunnen softwarecomponenten als onderdeel van een applicatie zijn maar ook complete softwareapplicaties of informatiesystemen. In GEMMA termen zijn
applicatiecomponenten te vertalen naar (delen van) informatiesystemen. Van een ArchiMate applicatiecomponent, en dus een GEMMA informatiesysteem, kan het interne gedrag worden vastgelegd via applicatie functies en het externe gedrag via applicatie
services. Applicatie functies zijn een samenhangende groep interne gedragingen van een applicatiecomponent. Voorbeeld van een applicatiefunctie is bijvoorbeeld de functie Actualiseren persoon binnen een GBA-systeem.

In de technologielaag is het belangrijkste structurele concept de node. Een node heeft twee subtypen: device (hardware) en systeemsoftware. Een device is een fysieke resource. Voorbeeld van een device is een IBM iSeries systeem. Systeemsoftware wordt
gebruikt om de softwareomgeving te modelleren waarop informatiesystemen geïnstalleerd worden. Voorbeeld van systeemsoftware is Microsoft Windows of Oracle 11g.
Het centrale gedragsconcept in de technologielaag is de infrastructuur service. Deze infrastructuurservices worden gerealiseerd door de systeemsoftware. Voorbeeld hiervan is dat een opslag service welke in de technologielaag gerealiseerd wordt door het
database management systeem. Het interne gedrag van technologische componenten wordt niet gemodelleerd met ArchiMate; voor een enterprise-architectuurbeschrijving is dit niveau van detail niet zinvol.

Archimate-elementen

  1. Group: groepering van structurele elementen ten behoeve van visualisatie.

  2. Business process (bedrijfsproces): eenheid van intern gedrag of een verzameling van causaal (volgorde, afhankelijkheid) gerelateerde
    eenheden van intern gedrag, met als doel een voorgedefinieerde verzameling van producten en diensten te produceren.

  3. Business Service (bedrijfsservice): beschikbaar stellen van de functionaliteit van een business proces beschikbaar gesteld aan externe actoren zoals burgers, bedrijven en instellingen.

  4. Business Actor: actieve entiteit die gedrag vertoont. Het kan een persoon zijn, bijvoorbeeld een burger of ambtenaar, maar ook een groep mensen, bijvoorbeeld een instelling of bedrijf.

  5. Applicatie Component: modulair, zelfstandig inzetbaar en vervangbaar deel van een systeem, dat zijn functionaliteit aanbiedt via goed gedefinieerde interfaces.

  6. Applicatie Functie: samenhangende groep interne gedragingen van een applicatiecomponent.

  7. Applicatie Service: extern zichtbare eenheid functionaliteit, geleverd door één of meer componenten, aangeboden via goed gedefinieerde interfaces en betekenisvol voor de omgeving.

  8. Systeem: een fysiek systeem zoals bijvoorbeeld een IBM iSeries.

  9. Systeem Software: software zoals een DBMS of messaging middleware welke gebruikt wordt om de infrastructuur services mee te realiseren.

  10. Infrastructuur Service: een dienst die door de infrastructuurlaag geboden wordt aan bovenliggende lagen. Infrastructuur services bieden diensten op het gebied van opslag,
    communicatie en verwerking.

Zie ook: Bluff Your Way Into NORA

Bron: ‘Slimmer organiseren door samenwerking’ Handreiking verdieping GEMMA informatiearchitectuur

Laatst aangepast op woensdag, 27 december 2017 08:24  


JPAGE_CURRENT_OF_TOTAL

Meetings are a symptom of bad organization. The fewer meetings the better.

Peter Drucker

Banner

Archief

Lean boeken top 5

(maart 2016)
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner

We hebben 81 gasten online
Artikelen

having no problem biggest taiichi ohno lean quote

Banner
Banner

durf, leer en presenteer pauline van aken

Durf, Leer en Presenteer
zet jezelf neer
Pauline Van Aken

Bij Bol.com of Managementboek

Lean boekentips

Banner