• Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
www.eenblogjeom.nl
Belangrijke onderwijskundige begrippen - Cognitieve theorie van multimediaal leren (Richard E. Mayer)
Gepubliceerd in Bluff Your Way Into
E-mail Afdrukken

leren learn

Cognitieve theorie multimediaal leren (12 ontwerpprincipes) van Richard E. Mayer


Definitie

...

Boeken:

Zie ook:

 

Alias:

  • Multimediale principes van Mayer
  • Cognitieve multimedia theorie
  • Cognitieve theorie van multimedia leren
  • Ontwerpprincipes multimedia instructie

ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer

Cognitieve multimedia theorie

De theorie van Mayer (2001) is een verdere uitwerking van de cognitivistische visie op leren. De kern van de cognitivistische visie is dat studenten bij hun leerproces 'schema's' opbouwen die in hun langetermijngeheugen worden opgeslagen. Deze schema's worden soms interne structuren, mentale schema's of mentale modellen genoemd. Ze vormen de basis voor verder leren. Dank zij de voorhanden zijnde schema's in ons geheugen kunnen we nieuwe informatie situeren (selectief waarnemen), organiseren en verder integreren.

Het leerproces dat leidt tot de opbouw van de schema's (verder vooral mentale modellen genoemd) gebeurt in een drietal gerelateerde processen: selectieprocessen, organisatieprocessen en integratieprocessen.

Bij de selectieprocessen selecteert de student uit de aangeboden leermaterialen die informatie die hij/zij relevant vindt/ ervaart om te worden opgenomen. Deze selectie is uiteraard bepaald door de manier van presenteren (bijv. de multimedia presentatie), maar ook door de reeds aanwezige voorkennis.

De organisatieprocessen zorgen er voor dat de nieuwe verworven informatie tot mentale modellen wordt georganiseerd en geëlaboreerd.

Uiteindelijk wordt deze nieuwe informatie ook weer gekoppeld aan de reeds aanwezige voorkennis. Dit zijn de integratieprocessen. De bestaande mentale modellen worden hierbij verdere georganiseerd en geëlaboreerd. De cognitieve multimedia theorie benadrukt dat in het — zeer kort beschreven — proces de multimedia kenmerken van de informatie van belang zijn. Mayer & Moreno maken hierbij een fundamenteel onderscheid tussen informatie die via beelden (tekst, plaatjes, animatie, video) wordt aangeboden en informatie die via een auditief kanaal wordt aangeboden. Ze schuiven — samen met andere auteurs — drie belangrijke veronderstellingen/assumpties voorop: de dual channel assumptie, de limited capacity assumptie en de active processing assumptie. We beschrijven beknopt deze drie veronderstellingen omdat pas dan de verschillende ontwerpprincipes goed kunnen worden begrepen.

(1) Dual channel assumptie

Paivio (1986), Baddeley (1995) en Neath (1998) stellen dat we via twee aparte kanalen informatie verwerken. Enerzijds beeldende informatie die via de ogen wordt aangeboden (woorden, animatie, illustraties, enz.) en in het visuele kanaal tot mentale modellen verwerkt. Anderzijds informatie die via de oren wordt opgenomen en dus via het auditieve kanaal wordt verwerkt tot mentale modellen. Mayer (2001) bouwt verder op de bevindingen van Paivio en Baddeley om deze assumptie te betrekken bij de cognitieve multimedia theorie.

[W]e leren via een auditief/verbaal en een pictorieel/visueel kanaal. Informatie die auditief of verbaal wordt aangeboden zal worden verwerkt tot een ver-baal/auditief model. Een pictorieel/visueel model zal het resultaat zijn van de verwerking van de informatie die visueel/pictorieel wordt aangeboden. Een opmerking hierbij is dat woorden, ... op twee manieren kunnen worden aangeboden : verbaal/auditief (gesproken) en visueel/pictorieel (gedrukte tekst).

Hoewel de lerende over twee kanalen beschikt om informatie op te nemen en te verwerken staan die niet los van elkaar. Er zijn wisselwerkingen tussen beide. Het model wordt in stappen doorlopen: 1) het selecteren van relevante woorden voor het verwerken in het verbale werkgeheugen en/of het selecteren van relevante beelden voor het verwerken in het visuele werkgeheugen; 2) het organiseren van de geselecteerde woorden tot een verbaal model en/of het organiseren van de geselecteerde beelden tot een visueel model en 3) het integreren van de verbale en visuele modellen met de reeds aanwezige voorkennis).

(2) Limited capacity assumptie

De tweede assumptie stelt dat iedereen beperkt is in hoeveelheid informatie die in het werkgeheugen kan worden vastgehouden. Sweller & Chandler (1994,1991b), Chandler & Sweller (1991a) en Sweller (2003) hebben rond deze assumptie een eigen theorie uitgewerkt die door Tabbers (2002), Brnken, Plass & Leutner (2003) en Paas, Renkl & Sweller (2003) uitgebreid wordt besproken. Mayer bouwt verder op deze Cognitive Load Theory. De informatie die in het werkgeheugen kan worden vastgehouden, is slechts een kleine deelverzameling van de informatie die men waarneemt of aangeboden krijgt. Dit heeft zijn invloed op zowel het visuele/pictoriële als het auditieve/verbale kanaal. Wanneer materialen worden ontworpen, moet daarmee ook rekening worden gehouden. Enkel informatie aanbieden via het visuele kanaal betekent dat we de beschikbare capaciteit via het auditieve kanaal negeren. Teveel tekst aanbieden remt af; teveel audio-informatie aanbieden remt af.

(3) Active processing assumptie

Deze assumptie gaat er vanuit dat lerenden spontaan actief informatie verwerken tot een coherent geheel van schema's/mentale modellen. De assumptie gaat dus uit van een aangeboren neiging om informatie gebaseerd op eigen 'ervaringen' te selecteren, te organiseren en te integreren met eerder opgedane kennis. De actieve verwerking leidt tot het opbouwen (elaboreren en organiseren) van de mentale modellen.

Overzicht van de mogelijke mentale modellen

  • Proces: Oorzaak-gevolg
  • Vergelijking: Vergelijken van meerdere elementen aan de hand van meerdere dimensies
  • Generalisatie: Idee en de samenhangende concepten beschrijven
  • Classificatie: Domein in sets en subsets analyseren
  • Enumeratie: Itemlijst presenteren

 

De drie assumpties zijn de pijlers van de Cognitieve Multimedia Theorie. Ze bepalen de manier waarop multimediale informatie wordt verwerkt. Ze vormen ook de basis voor verschillende principes van het ontwerpen van multimediale leermaterialen. In de volgende paragrafen overlopen we deze ontwerpprincipes. We herhalen dat elk principe onderbouwd is met uitgebreid onderzoek, dat in de context van dit hoofdstuk niet in detail kan worden besproken. We verwijzen de geïnteresseerde lezer naar de aange-geven bronnen.

Bron: Digitaal leren - ICT-toepassingen in het hoger onderwijs, Ivan D'Haese & Martin Valcke (Red.)

ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer

De Cognitieve Theorie voor Multimediaal Leren

We zullen er vaker aan refereren in dit boek: wanneer docenten informatie in woord en beeld aanbieden, dan is de kans dat leerlingen die informatie
onthouden groter. Richard E. Mayer (2014) heeft daar veel onderzoek naar gedaan. Hij staat bekend om zijn Cognitieve Theorie voor Multimediaal Leren
(CTML), een theorie die stelt dat multimediaal aangeboden informatie beter beklijft als die voldoet aan bepaalde principes die overeenkomen met
hoe ons brein werkt. Multimedia kun je in dit kader overigens verschillend opvatten, het kan gaan over verschillende kanalen, over verschillende zintuigen
of over verschillende apparaten. De aanname van Mayer is in ieder geval dat:
• mensen leren via een auditief kanaal (de dingen die we horen) en een visueel kanaal (de dingen die we zien), die onderling met elkaar interacteren;
• slechts een deel van de informatie die we via een van die kanalen binnenkrijgen, vastgehouden kan worden in het werkgeheugen (de capaciteit is beperkt);
• mensen informatie selecteren en verwerken op basis van reeds aanwezige kennis en ervaringen.
Mayer vat het samen als ‘The human mind is a dual-channel, limited-capacity, active processing system’ en gebruikt daarbij het schema in figuur 1.7.

Op basis van deze drie aannames heeft Mayer [12] ontwerpprincipes voor leren via multimedia geformuleerd.

Bron: Wijze lessen - 12 bouwstenen voor effectieve didactiek, Tim Surma (e.a.)

ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer

12 Ontwerpprincipes van multimediaal leren

De Cognitive Theory of Multimedia Learning, uitgewerkt door Richard E. Mayer, vertrekt vanuit drie veronderstellingen:

* er zijn twee aparte kanalen (auditief en visueel) om informatie te verwerken;
* elk kanaal heeft een beperkte capaciteit;
*leren is een actief proces waarbij informatie wordt gefilterd, georganiseerd en geintegreerd.

In zijn boek Multimedia Learning (Mayer, 2001) stelt de auteur twaalf ontwerpprincipes of richtliinen voor waaraan multimediapresentaties of digitale leermiddelen (alle leermiddelen waarbij tekst, afbeeldingen of geluid worden gebruikt) volgens hem moeten voldoen om een optimaal leereffect te bereiken.

[01] Het coherentieprincipe (coherence principle): leerlingen leren beter wanneer alle overbodige elementen (woorden, afbeeldingen, geluiden) worden weggelaten uit het leermateriaal. Daardoor kunnen de leerlingen beter focussen op de essentie.

[02] Het signaliseringsprincipe (signaling principle): leerlingen leren beter wanneer er verbale (titels, signaalwoorden enzovoort) en visuele (pijlen enzovoort) aanwijzingen zijn voor de organisatie van het (belangrijkste) materiaal.

[03] Het redundantieprincipe (redundancy principle): gedrukte woorden toevoegen leidt niet tot betere leerresultaten wanneer er al beeldmateriaal en gesproken woorden aangeboden worden.

[04] Het ruimtelijk nabijheidsprincipe (spatial contiguity principle): leerlingen leren beter wanneer woorden en afbeeldingen die samen horen dichter bij elkaar worden afgebeeld op het scherm of op het blad dan wanneer ze verder van elkaar staan.
[05] Het tijdelijk nabijheidsprincipe (temporal contiguity principle): leerlingen leren beter wanneer woorden en afbeeldingen die samen horen tegelijkertiid worden afgebeeld op het scherm of op het blad dan wanneer ze na elkaar worden getoond.
[06] Het segmenteringsprincipe (segmenting principle): leerlingen leren beter wanneer ze de les op hun eigen tempo in verschillende stappen kunnen doorlopen dan wanneer het één doorlopend geheel is.
[07] Het voortrajectprincipe (pre-training principle): leerlingen leren beter wanneer ze vooraf al vertrouwd zijn met de namen en de eigenschappen van de belangrijkste concepten die in het lesmateriaal aan bod komen.
[08] Het modaliteitsprincipe (modality principle): leerlingen leren beter wanneer beeldmateriaal is verrijkt met audio dan met tekst.
[09] Het multimedia principe (multimedia principle): leerlingen leren beter wanneer ze tekst en afbeeldingen te zien krijgen dan wanneer alleen tekst wordt gebruikt.
[10] Het personaliseringsprincipe (personalization principle): leerlingen leren beter van multimediaal materiaal wanneer alledaagse spreektaal wordt gebruikt in plaats van formeel taalgebruik.
[11] Het stemprincipe (voice principle): leerlingen leren beter wanneer ze een vriendelijke menselijkke stem horen in plaats van een
[12] Het afbeeldingsprincipe (image principle): leerlingen !eren niet noodzakelijk beter wanneer de afbeelding van de spreker op het scherm wordt toegevoegd.

Deze principes zijn uitgebreid onderzocht en blijken zeker binnen natuurwetenschappelijke kennisdomeinen geldig te zijn. Ze zijn ook effectiever dij lerenden met weinig voorkennis en een goed ontwikkeld ruimtelijk voorstellingsvermogen. Binnen het sociaal-wetenschappelijke kennisdomein blijken de ontwerpprincipes niet of minder van toepassing te zijn?.

Bron: Mind the map: krachtige tools om leren in beeld te brengen, Tommy Opgenhaffen

ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer

 

Mayer’s ontwerpprincipes van multimedialeren


Je vindt hier een korte introductie over de verschillende ontwerpprincipes. We tonen daarbij steeds een voorbeeld waarbij het principe niet is toegepast en een voorbeeld waar dat wel is gebeurd.

Wens je nog meer te weten over deze principes, dan kan je hiervoor in de ‘uitdieping’ terecht.

  • Personaliseringsprincipes
  • Signaleringsprincipe
  • Multimediaprincipe
  • Ruimtelijk nabijheidsprincipe
  • Modaliteitsprincipe
  • Tijdelijk nabijheidsprincipe
  • Overtolligheidsprincipe
  • Coherentieprincipe
  • Stemprincipe
  • Beeldprincipe
  • Principe van de individuele verschillen

Bron: http://www.digitaledidactiek.be/modules/2-ontwerp/theorie/mayer/mayers-ontwerpprincipes-van-multimedialeren/


ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer


(1) Coherence Principle: People learn better when extraneous words, pictures and sounds are excluded rather than included.
Presenteer informatie in een kennisclip zo sec mogelijk, want ‘opleuken ’met  muziek, plaatjes en letters in verschillende kleuren heeft een negatief effect op leren.

(2) Redundancy Principle: People learn better from pictures and narration than from pictures, narration and on-screen text.
Praat bij een beeld en voeg geen of weinig geschreven tekst toe.

(3) Signaling Principle: People learn better when cues that highlight the organization of the essential material are added.
Richt de aandacht van de student op belangrijke informatie. Dit kan bijvoorbeeld door:

  • Highlighten belangrijke begrippen
  • Inzoomen
  • Voice-over die het belang benadrukt.


(4) Spatial Contiguity Principle: People learn better when corresponding words and pictures are presented near rather than far from each other on the page or screen.
Plaats wat bij elkaar hoort qua beeld en tekst dicht bij elkaar.

(5) Temporal Contiguity Principle: People learn better when corresponding words and pictures are presented simultaneously rather than successively
Presenteer wat bij elkaar hoort tegelijkertijd en niet na elkaar.

(6) Segmenting Principle: People learn better when a multimedia lesson is presented in user-paced segments rather than as a continuous unit
Geef de student de gelegenheid om de kennisclip stil te zetten.

(7) Pre-training Principle: People learn better from a multimedia lesson when they know the names and characteristics of the main concepts
Ga na of inhoud kennisclip past bij de voorkennis van de student.

(8) Modality Principle: People learn better from pictures and narrations than from pictures and on-screen text
Geef de informatie bij een plaatje liever mondeling dan in de vorm van geschreven tekst.

(9) Multimedia Principle: People learn better from words and pictures than from words alone
Gebruik in een kennisclip waar mogelijk goed gekozen afbeeldingen

(10) Personalization Principle: People learn better from multimedia lessons when words are in conversational style rather than formal style
Spreek de student aan met je. Laat vaktaal intact.

(11) Voice Principle: People learn better when the narration in multimedia lessons is spoken in a friendly human voice rather than a machine voice
Laat de kennisclip inspreken door echte mensen.

Bron: http://www.rbbh.nl/kennisclip/dia02.htm


ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer

Twaalf ontwerpprincipes voor multimedialeren (Richard E. Mayer)

[01] Multimediaprincipe: tekst én beeld is beter dan tekst alleen.
[02] Modaliteitsprincipe: in combinatie met beeld is audio beter dan geschreven tekst. Dat laatste leidt tot overbelasting van het visuele kanaal.
[03] Redundantieprincipe: beeld plus audio is beter dan beeld plus audio plus tekst. Dat laatste leidt tot 'cognitieve overload'.
[04] Signaalprincipe: stuur de aandacht naar kritische en essentiële aspecten van het leermateriaal d.m.v. extra markeringen.
[05] Ruimtelijke nabijheidsprincipe: de ruimte tussen corresponderende woorden en beelden moet minimaal zijn.
[06] Tijdelijke nabijheid principe: corresponderende woorden en beelden moeten tegelijkertijd verschijnen.
[07] Coherentieprincipe: vermijd overbodige, ongerelateerde woorden, beelden en geluiden.
[08] Segmentatieprincipe: geef student controle over leren, zodat men 'complex' materiaal kan opdelen. Bijvoorbeeld door kennisclip stil te zetten.
[09] Pré-trainingsprincipe: sluit aan bij voorkennis van student. Voorzie anders in aanvullende conceptie, definities en/of pré-clip
[10] Personalisatie van woord: gebruik een communicatieve schrijfstijl (met inbegrip van het gebruik van de ik- en je-vorm)
[11] Stemprincipe: mensen leren beter van een menselijke stem dan van een computerstem.
[12] Beeldprincipe: het heeft (nog) geen meerwaarde om, naast de visuele animatie, ook de lesgever in beeld te brengen. De stem volstaat.

Bron: https://quizlet.com/nl/429167046/twaalf-ontwerpprincipes-voor-multimedialeren-richard-e-mayer-flash-cards/

 

ontwerpprincipes multimediaal multimedia richard mayer

 

Cognitive Theory of Multimedia Learning (CTML)

De 'Cognitive Theory of Multimedia Learning' (CTML) werd uitgewerkt door Mayer en zijn collega's en bouwt voort op drie centrale assumpties die al eerder in dit thema aan bod zijn gekomen:

(1) De 'dual channel'-assumptie, waarin gesteld wordt dat we in onze cognitieve architectuur beschikken over twee parallelle verwerkingskanalen voor visuele en auditieve informatie.

(2) De 'limited capacity'-assumptie, die terugvalt op de 'cognitive load'-theorie (Sweller & Chandler). Deze assumptie stelt dat het werkgeheugen beperkt is wat betreft de hoeveelheid informatie die tegelijkertijd kan worden vastgehouden en verwerkt (7 +1- 2 chunks).

(3) De 'active processing'-assumptie. Dit is in feite de grondassumptie van het cognitivisme, waarin vooropstaat dat lerenden zelf actief hun kennis construeren (Doolittle).

Lerenden beschikken dus enerzijds over een beperkt werkgeheugen, maar anderzijds beschikken ze wel over twee parallelle verwerkingskanalen in het werkgeheugen. Dat vergroot dus de cognitieve verwerkingsmogelijkheden.

Mayer leidt uit zijn theorie ontwerpprincipes af voor multimediale materialen: leermaterialen worden in zijn opvatting het best multimediaal uitgewerkt en bestaan uit méér dan tekst alleen. Hij schuift ontwerpprincipes naar voren. Deze principes zijn zeer uitgebreid onderzocht en blijken —zeker voor natuurwetenschappelijke kennisdomeinen — geldig te zijn.

Eigen onderzoek (De Westelinck & Valcke, 2005) toont aan dat de ontwerpprincipes niet altijd van toepassing zijn in het sociaal-wetenschappelijke kennisdomein.

Het toevoegen van grafische representaties aan bijvoorbeeld leermaterialen uit de psychologie of onderwijskunde, blijkt niet op dezelfde manier mentale processen te ondersteunen.

Bron: Onderwijskunde als ontwerpwetenschap - van leren naar instructie, Martin Valcke

Tags:
Laatst aangepast op zondag, 14 februari 2021 17:42  
Slaap je slim! (boekentip)
Gepubliceerd in Boeken over persoonlijke effectiviteit
E-mail Afdrukken

Slaap je slim, guus pijpers

Slaap je slim!
Hoe win je tijd zonder iets te missen
Guus Pijpers

Bij Bol.com | Managementboek

Laatst aangepast op zaterdag, 27 maart 2021 06:47  
Interveniëren en veranderen (boekentip)
Gepubliceerd in Boeken over management
E-mail Afdrukken

intervenieren en veranderen betekenis interacties boonstra caluwe

Interveniëren en veranderen
Zoeken naar betekenis in interacties
Jaap Boonstra, Léon de Caluwé, e.a.

Bij Managementboek.nl of Bol.com

Laatst aangepast op zondag, 26 februari 2012 19:45  
Een leergerichte persoonlijkheid volgens Arjan van Dam
Gepubliceerd in Lifehacking
E-mail Afdrukken

leergerichte persoonlijkheid leerdoeloriëntatie van dam

In zijn boek De kunst van het falen gaat Arjan van Dam in op het verschil tussen een leerdoeloriëntatie (jezelf willen ontwikkelen) en een prestatiedoeloriëntatie (willen presteren). Achter beide oriëntaties gaan twee theorieën schuil: de entiteitstheorie en de groeitheorie.

"In tegenstelling tot intelligentie zijn er als het over persoonlijkheid gaat wel verschillen aan te wijzen tussen mensen die gericht zijn op leren of juist presteren. De Big Five wordt vaak gebruik om vijf persoonlijkheidseigenschappen te meten:

  1. Emotionele stabiliteit: "Iemand die emotioneel stabiel is heeft het vermogen om stressvolle gebeurtenissen te hanteren en is niet snel van slag. Iemand die niet emotioneel stabiel is, heeft neurotische kenmerken: gevoelens van angst, wisselende stemmingen, prikkelbaarheid en het onvermogen om stressvolle gebeurtenissen te hanteren.

  2. Extraversie: "Een extravert persoon heeft een voorkeur voor gezelschap, groepsactiviteiten en publieke gebeurtenissen. Hij is opgewekt, assertief en heeft een voorkeur voor opwinding en spannende acties.

  3. Openheid: "Een open persoon is nieuwsgierig naar zowel de buitenwereld als de innerlijke wereld. Open mensen benaderen nieuwe en ongebruikelijke ideëen, beelden en waarden welwillend en met nieuwsgierigheid. Ook conformeren ze zich niet bij voorbaat aan de beschikbare regels, schema's, gewoonten en uitgangspunten.".

  4. Vriendelijkheid: "Hier gaat het om de oriëntatie op de ervaringen, belangen en doelen van anderen. Vriendelijke mensen zijn hulpvaardig, bescheiden en geneigd tot samenwerken, ze verplaatsen zich in de ander en bezien situaties (mede) vanuit het doel van de ander.".

  5. Consciëntieusheid: "De consciëntieuze persoon wordt gekarakteriseerd door eigenschappen als volhardend, ambitieus, gewetensvol en betrouwbaar. Hij is doelgericht en goed georganiseerd en ziet het leven in termen van taken die vervuld moeten worden. Hij heeft een sterke wil en is vastbesloten."

"De doeloriëntatie die we hebben is een onderdeel van onze persoonlijkheid. Leergerichte mensen zijn vaak consciëntieuzer en leergerichtheid hangt samen met een sterk ambitieniveau. "Ze zijn toegewijd aan de doelen die ze willen bereiken en zijn ambitieus. Ze hebben daarbij het gevoel competent te zijn en ze hebben minder het gevoel dat ze afhankelijk zijn van anderen om hun doel te bereiken." Iemand die leergericht is kan - hoe tegenstrijdig dit ook lijkt - ook graag willen presteren. "Leren wordt vaak in verband gebracht met vrijblijvendheid en weinig prestatiedruk. (...) Maar misschien is de wil om prestaties te leveren nog wel sterker aanwezig bij iemand die op leren gericht is. De reden waarom hij prestaties wil leveren, is alleen wezenlijk anders. Hij wil zich ontwikkelen en een prestatiegericht iemand wil laten zien wat hij kan."

Leergerichtheid gaat verder ook vaak samen met consciëntieusheid. Leergerichte studenten willen de stof die ze leren écht begrijpen, terwijl prestatiegerichte studenten oppervlakkiger studeren en vooral kijken hoe ze met zo min mogelijk moeiten een goed mogelijk cijfer kunnen halen. Consciëntieuze mensen hebben vaak een sterk gevoel van competentie. "Dat is ook het geval bij iemand met een leeroriëntatie. Iemand met een laag vertrouwen in eigen kunnen is veel meer geneigd om moeilijke situaties uit de weg te gaan en falen te vermijden."

"Naast consciënteuzer zijn leergerichte mensen vaker emotioneel stabiel (...) Mensen die willen presteren, zijn vaak iets neurotischer."

Mensen die leergericht zijn staan open voor nieuwe ervaringen en zijn nieuwsgierig. Ze zijn ook bereid nieuwe wegen in te slaan. Mensen die open zijn doen dit eerder omdat ze nieuwsgierig zijn naar de nieuwe ervaringen en wat die zullen opleveren. Hierin worden ze ook nog voortgedreven door een behoefte aan verandering. Ze zijn eerder bereid allerlei activiteiten uit te proberen. Iemand die zichzelf wil ontwikkelen, ziet een verandering als een mogelijkheid om meer over zichzelf te ontdekken. En omdat iemand die leergericht is minder angstig is, is hij ook minder bang om verkeerde keuzes of fouten te maken.

Symptomen en signalen van een prestatiedoeloriëntatie

Volgens Van Dam zijn er een aantal symptomen en signalen waaraan je kunt herkennen óf je gericht bent op het leveren van een prestatie:

  1. Vermijden

  2. Uitstellen

  3. Angst om fouten te maken

  4. Snel opgeven

  5. Waardering van anderen belangrijk

  6. Dichotoom denken (zwart-wit, alles of niets, goed-slecht)

  7. Moeite met negatieve kritiek

  8. Gevoel van hulpeloosheid

Van Dam verwijst verder naar het boek Mindset: the new psychology of success van Carol Dweck waarin zij twee verschillende 'mindsets' beschrijft:

  1. Fixed mindset: overtuiging dat je persoonlijkheid en karakter min of meer in beton gegoten zijn (entiteitstheorie)

  2. Growth mindset: overtuiging dat je persoonlijkheid en capaciteiten in positieve richting kunnen veranderen (groeitheorie)

"Hoe kom je erachter welke mindset je hebt? Een mindset zijn overtuigingen over je persoonlijke eigenschappen. Je kunt deze eenvoudig vaststellen door onderstaande stellingen over jezelf te beantwoorden:

  • Hoe intelligent je bent is nauwelijks te beïnvloeden
  • Je hebt bepaalde persoonlijkheidskenmerken en daar valt niet veel aan te veranderen
  • Je kunt je intelligentie aanzienlijk veranderen
  • Wat voor persoonlijkheidskenmerken je ook bezit, je kunt ze altijd aanzienlijk veranderen

De eerste twee stellingen zijn kenmerken voor een fixed mindset, de laatste twee voor de growth mindset. Het kan zijn dat je tussen beide in staat, maar de meeste mensen van ons neigen toch naar een van de twee. Een andere vraag die je jezelf kunt stellen is: doe ik iets vooral omdat ik er beter in wil worden? Of doe ik iets omdat ik positief gewaardeerd wil worden door anderen? Wanneer het zwaartepunt bij verbetering ligt, dan heb je een growth mindset. Ligt het bij waardering van anderen dan heb je waarschijnlijk een fixed mindset."

Van Dam beschrijft acht kenmerken op basis waarvan je kunt bepalen of sprake is van een leerdoel- of een prestatiedoelklimaat:

Omgeving Leerdoel Prestatiedoel
Succes wordt gedefinieerd als.. Verbetering, vooruitgang Hoge prestaties in vergelijking met anderen
Wat wordt gewaardeerd Inspanning/leren Hoge capaciteiten
Redenen om tevreden te zijn Hard werken, uitdaging Beter doen dan anderen
Leraar is gericht op Hoe studenten leren Hoe studenten presteren
Fouten Onderdeel van leren Roepen angst op
Focus van aandacht Proces van leren Eigen prestaties ten opzichte van anderen
Redenen om in te spannen Iets nieuws leren Hoge prestaties, beter presteren dan anderen
Evaluatiecriteria Absolute vooruitgang Normatief

Zie ook: Een agile mindset volgens Linda Rising

Bron: De kunst van het falen, Arjan van Dam en en Motivatie: presteren? Of toch maar leren?, Arjan van Dam

Laatst aangepast op woensdag, 10 januari 2018 20:26  
Omdenken met E.F. Schumacher
Gepubliceerd in Citaten: management
E-mail Afdrukken

Go see ask why show respect

It might be said that it is the ideal of the employer to have production without employees and the ideal of the employee is to have income without work.

E. F. Schumacher

Laatst aangepast op zaterdag, 12 april 2014 06:24  


JPAGE_CURRENT_OF_TOTAL

Waar vertrouwen ontbreekt, is een poging het over de inhoud eens te worden bij voorbaat tot mislukken gedoemd.

Jan Peter Balkenende (in verklaring val kabinet Balkenende IV)

 

 

Banner

Archief

Lean boeken top 5

(maart 2016)
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner

We hebben 129 gasten online
Artikelen

standaard werk taiichi ohno standard operations lean

Banner
Banner

nooit meer te druk tony crabbe

Nooit meer te druk
een opgeruimd hoofd in een overvolle wereld
Tony Crabbe

Bij Bol.com | Managementboek

Lean boekentips

Banner